facebook
KROWY MLECZNE ZDROWIE I WYDAJNOŚĆ

De willekeurig geselecteerde bedrijven werden eenmaal bezocht tijdens de onderzoeksperiode. Tijdens dit bedrijfsbezoek is een bloedmonster afgenomen van alle kort daarvoor afgekalfde koeien. Deze koeien waren tussen de 5 en de 60 dagen aan de melk. In de bloedmonsters werd de bhbz-concentratie bepaald (referentietest) om vast te stellen welke koeien ketose hadden op het moment van de monstername. Voor de analyse Hierbij is geen onderscheid gemaakt tussen koeien met slepende melkziekte dan wel subklinische ketose. Het percentage van 11,2 procent koeien met ketose valtbinnen de reeks van prevalenties die in de internationale literatuur worden gerapporteerd.

Belangrijk om te melden is dat het gaat om een momentopname, de koeien op de deelnemende bedrijven werden maar eenmaal bemonsterd. Het is mogelijk dat een koe eerder ketose heeft gehad of dat op een later moment nog zal krijgen. Uit Amerikaans onderzoek blijkt dat het werkelijke aantal dieren dat na het afkalven ketose krijgt op een bedrijf, ongeveer 2,2 keer zo hoog is als de waargenomen prevalentie op een bepaald moment. Wanneer deze aanname wordt doorberekend voor de Nederlandse situatie, dan betekent dit dat ongeveer 25 procent van de koeien gedurende de eerste twee maanden na het afkalven ketose zou ontwikkelen. In figuur 1 wordt het vóórkomen van ketose bij koeien van verschillende lactatienummers weergegeven.

De resultaten laten zien dat ketose wel degelijk voorkomt bij vaarzen. Het zal bij deze dieren waarschijnlijk gaan om subklinische ketose door onvoldoende voeropname, bijvoorbeeld door stress of onvoldoende ruimte aan het voerhek. De ziekte trad vaker op in de eerste dertig lactatiedagen dan tussen de dertig en zestig lactatiedagen. De hoge prevalentie kort na het afkalven onderstreept het belang van het optimaliseren van de voeding en het management in de transitieperiode van koeien. Ketose komt vaker voor in de lente en de zomer dan in de herfst en de winter.

Dit zou veroorzaakt kunnen worden door de hogere omgevingstemperatuur in deze seizoenen, die al dan niet gepaard kan gaan met hittestress bij de dieren. Daarnaast kan de energievoorziening van verse koeien tekortschieten op het moment dat weidegang wordt toegepast en de hoeveelheid en/of de kwaliteit van het gras niet optimaal zijn. Grote variatie tussen bedrijven Er waren grote verschillen in het percentage koeien met ketose op de individuele bedrijven binnen dit onderzoek. De waargenomen bedrijfsprevalenties varieerden van nul tot tachtig procent. Hierbij waren er geen significante verschillen tussen de verschillende regio’s of provincies waarneembaar. Eigenlijk geldt dat er maatregelen genomen moeten worden als meer dan tien procent van de dieren op een bedrijf ketose heeft op een bepaald moment. In het onderzoek werd deze grenswaarde bij 54 van de 118 bedrijven (46%) overschreden.

Er is dus zeker nog winst te behalen, al moet wel rekening worden gehouden met de relatief kleine aantallen dieren die soms per bedrijf werden bemonsterd. In die gevallen heeft één positief getest dier meer of minder namelijk veel invloed op de waargenomen prevalentie op het bedrijf. Op 33 procent van de bedrijven waren geen dieren met ketose op het moment van het bedrijfsbezoek. Dit laat zien dat het met het juiste management mogelijk is om het optreden van ketose aan het begin van de lactatie te voorkomen.

                                                                                                  

                                                                                  Veeteelt Magazine 2012, Saskia van der Drift en Ruurd Jorritsma
Do góry

Onze partners

ColoQuick Key dollar Ropa Pharm Holm & Laue Lohmann Tentego

Uitvoering: agencja interaktywna B2Internet